El día nacional de la salsa 2009
...
in Puerto Rico 

Al weken hoorde je op de nationale salsazender Zeta noventa y tres (Zeta 93) jingles over het belangrijkste salsa evenement van de Cariben: El día nacional de la salsa. Twee jaar geleden toen May Peters nog hoofdvakdocent Trombone was op het 'Departamento de Jazz y Música Caribeña' van het Conservatorio de Música de Puerto Rico, had haar trompetcollega, de salsatrompetlegende Luís Perico Ortíz, een vrijkaartje. Hij trad toen voor het voetlicht met zijn orkest. Dit jaar toog ze voor de 26e editie van de Nationale Salsadag naar het Stadion Hiram Bithorn in San Juan, Puerto Rico.

Ik lag in 2007 ook al in de clinche met breed getrainde norse beveiligingsbeambten die geen krimp geven. Ditmaal kreeg ik een enthousiaste schriftelijke bevestiging van de medewerkster van de Radio Zeta 93 dat er twee perskaarten voor me klaar zouden liggen aan de ingang. 'No problema'. Ik was alleen vegeten te vragen welke van twintig ingangen...
En zo rijden mijn collega uit New York en ik rond drie uur zondagmiddag naar Hato Rey. De weg die ik zoveel malen heb afgelegd, naar de wijk waar het oude Conservatorium ligt. En meteen bij de afslag van het grootste winkelcentrum van de Cariben: Plaza las Américas waar al die bezoekers dus parkeren, staan we stil.

Ondertussen kan ik Sara afleiden door te vertellen wat de 26e editie van de Día Nacional inhoudt. Elk Puertoricaans orkest speelt muziek van een van de grootste componisten die dit eiland kent: don Tite Curet Alonso. Deze sympathieke boricua (de Indiaanse naam voor Puertoricaan) die al vroeg naar de volkswijk Santurce verhuisde, schreef 'salsa met een geweten'. De armoede van de zwarte bevolking en de liefde waren zijn grote inspiratie. Zeta 93 heeft al verschillende programma's aan hem gewijd. Materiaal genoeg want hij heeft meer dan tweeduizend liedjes gecomponeerd! Ik heb er een heleboel gehoord de afgelopen maanden. Opnames van Celia Cruz, La Lupe, Willie Colón, Tito Rodríguez, Olga Guillot, Mon Rivera, Hector Lavoe, Ray Barretto, Ruben Blades, Tito Puente, Ismael Miranda, Roberto Roena, Bobby Valentín, Marvin Santiago, Willie Rosario, Chucho Avellanet, Andy Montañez, Rafael Cortijo, Tommy Olivencia and Frankie Ruiz en meer.

'Je kent vast en zeker 'Las Caras Linda' (De Mi Gente Negra) van Ismael Rivera', zeg ik tegen Sara, die puft en zucht. Ze komt net uit the Big Apple en gaat radicaal van de winter de zomer in, op dezelfde breedtegraad. 'Jouw pensión ligt in de calle Ismael Rivera, remember?!', roep ik enthousiast. 'Wat als jij me er nu uitlaat, dan loop ik verder, want ik kan echt niet tegen deze hitte', klaagt ze met haar Amerikaanse figuur. 'Prima, fine. Steek de straat over, loop links naar het stadion en zoek de Artiesteningang.' Ik heb geen idee waar die is, maar goed. Ze stapt uit en la Sonora Ponceña schalt me al tegemoet. Díos mío, moet ik dat missen! Geen 'Noche como boca e lobo' en 'A la Perla del sur' (daar komen ze tenslotte vandaan, Ponce, de parel van het Zuiden, net zoals ik eigenlijk... als Limburger... ha) en 'Las Mujeres son de azúcar'. Terwijl ik doorschuif over het verhitte asfalt denk ik aan het magische concert op Sint Jan, 24 juni 1994, feestdag in San Juan. Leider en piano-icoon Papo Luca speelde onder de volle maan een waanzinnige solo die me voorgoed zou betoveren. Puerto Rico heet niet voor niks Isla del Encanto, eiland van betovering.

Na drie kwartier kan ik mijn Chevrolet kwijt op een totaal onbekende plek (nooit de Puertoricanen volgen, want die kunnen niet rijden én niet denken. Speciaal degenen die in dienst zijn van de overheid. Yo no sé, ik weet het niet, betekent: 'ik ben betaald om te bewegen, niet om mee te denken'.) En ik spoed me door het gigantische winkelcentrum achter een jongen die er ook flink de pas in heeft. Dat valt me op, want ze lopen hier normaliter niet zo hard. Deze man gaat naar het concert, dat voel ik. (Je intuïtie neemt ook gigantisch toe in de tropen!) Ik volg hem een kilometer richting Zuid. En dan slaat hij links af een gang in. Ik zie alleen een herentoilet... nondedjuu. Maar rechts zie ik 'exit', en inderdaad ik sta pal tegenover het stadion. Cubanen staan er al met zonnenbrillen te koop, grote koelboxen: 'agua, Coors Light...' Ik heb wel zin in een biertje, maar hou het uit principe altijd bij het Puertoricaanse Medalla.

Jammer, nu heb ik ook het orkest van Tommy Olivencia para la Historia gemist. De orkestleider waarbij Lalo Rodríguez en Paquito Guzmán hebben gezongen, overleed toen ik net begonnen was op het Conservatorium in september 2006. Een jaar later heb ik meegespeeld op zijn herdenkingsfeest hier op de Plaza de los Salseros. De Puertoricanen zijn altijd erg van herdenken en dat hij ruste in vrede, gloria victoria. Zijn weduwe Paquita bedankte me toen nog persoonlijk. Lalo Rodríguez groette me ook, want wij hebben hem een paar keer begeleid met het orkest van Elías Lopés.

God, welke van deze ingangen is het? Ik stap meteen op de mensen met het grijze t-shirt 'Seguridad' af. 'Waar is de pers ingang?' 'Ay, yo no sé.' Wel ja, ze zullen het weer eens niet weten. De andere vrouw bij de andere ingang weet het ook niet. Natuurlijk niet! Ik draai me om en voordat ik er erg in heb, sta ik binnen... Ik ben binnen! Overal standjes met gefrituurde dingen: tostones (gebakken groene banaan), pinchos (varkenssaté, maar dan zonder satésaus). Ik loop een trap op en kijk uit op het zonovergoten baseballveld met in de verte het podium. Er rest mij maar een ding: ik moet van hier naar daar, door de mensenmassa richting bühne. Alweer in de file. Maar dit keer overal Puertoricanen die op de muziek meebewegen, meeslaan op een campana. En ik natuurlijk meteen lol. Ze spelen claves, maracas. En waar maar een beetje plaats is, tussen de meegebrachte strandstoelen, koelboxen en strandparasollen wordt salsa gedanst. Ik ben hier toch op de Día Nacional de la salsa? Nou dan!

Ik wurm me tussen het volk door, waartussen ik me het liefst begeef. Vaya, daar word ik aan beide handen gepakt en voordat ik er erg in heb, draai ik in het rond. Ik schiet in de lach. Gracias papí en maak me uit de voeten, dat wil zeggen: ik stap over de zittende mensen heen. Eindelijk bij een hek waar een guardia staat: 'Waar is de persingang?' En wat zegt de gek? 'Ay, dat weet ik niet.' 'Nou moet je eens goed luisteren, mi amor...' Maar hij kijkt me schaapachtig macho aan, juist: die combinatie. Ik betwijfel of hij me überhaupt verstaan heeft in al dit geluid (wat overigens best goed is... tot mijn grote verbazing). Zijn collega stuurt me naar de andere kant van het podium. Haaaa. 'Hoeveel mensen komen er?', had Sara mij gevraagd. 'Tienduizend', had ik geantwoord.

'Het veld van het Hirtam Bithorn was te klein als dansvloer voor de dertigduizend salseros', zou 'el Nuevo Día', de grooste krant hier, de dag erop schrijven. Kijk, en dan moet je zo'n gek als ik hebben die zich daar dan middenin begeeft! Ik ben ineens het stadion weer uit en word door een vrouw teruggeroepen die het nu wel weet. Ik moet aardiger zijn voor de mensen die het wel weten. 'Mi amor, je moet daar naartoe', zegt ze ook nog. Eindelijk! Ik sta inderdaad keurig op de lijst bij de Pers en Sara wacht me al op. De tent met Prensa heeft aircondition en er is Medalla. Ik zie studenten van het Conservatorium die me begroeten: 'Maestraaa' (Je blijft hier evengoed maestra, ook al krijgen ze het nieuwe visum niet voor elkaar). 'Met wie heb je gespeeld?' 'Met Sammy Garcia y el Sabor de Puerto Rico'. De jonge generatie salseros die net een nieuw album heeft uitgebracht: 'Por buen Camino'. En de eerste musicus vliegt me meteen om de nek.

Ik kom er dan een half uur later achter dat dat componist Johnny Ortíz is (van salsahits als Catalina la O!). 'Mijn maatje zanger Pedro Arroyo gaf me jouw kaartje in 1994 op de cd presentatie van Descarga Boricua', zeg ik. (Het is hier een en al gekonkel met die kaartjes). Want ik zie naast hem pianist en arrangeur van Bata Cumbele, de opvolger van Descarga Boricua, mijn goede collega Eric Figueroa. Hij is een ware meester. En in de jaren negentig speelden we geregeld met ons Jazztrio. Het volgende orkest is dat van Rafael Cortijo's zoon die zijn vader een eerbetoon brengt. Alle grote hits komen voorbij: 'Ahora vivo felíz', 'Todavía pienso en tí'. Zoon Rafaelito zegt dat ze daarboven wel een rumba zullen hebben. En mij lopen de rillingen over mijn rug, ondanks de verzengende hitte als dertigduizend salseros met hem meezingen: 'Son los mejores rumberos'.

Nicht Fé wordt verwelkomd als een heldin. Ik heb me steeds afgevraagd wie dat jongetje toch was op die historische opnamens van Rafael Cortijo 'El Bochichen', echt zo'n Puertoricaans woord: 'het geroddel'. Niks liever wat ze doen. Maar die plaat is ontzettend leuk. 'Heb je gehoord dat Eddie Palmieri met...?'. Dat was dus kleine Fé, die nu op haar 61 nog steeds die kwetsbaarheid én kracht heeft. En dan natuurlijk zijn lijflied: 'Pa' los caserillos', een hommage aan alle mensen van de arme woonwijken. De achterbuurt bij mij twee blokken verder komt er ook in voor :Llorén Torrens (Eens in de zoveel tijd hoor ik schoten. En als wespen die op zoete pruimen afkomen, hangen dan even later twee politiehelikopters in de lucht met schijnwerpers). Hoe groot is mijn verbazing als mijn collega fotografe me vertelt dat Rafael Cortijo daar geboren is! Natuurlijk, vandaar die straatnamen van salsazangers in mijn buurt.

Terwijl ik even in de verkoelende Perstent zit, hoor ik Ismael Rivera's bekende stuk 'El Negro Bembón'. Dit zijn de liedjes die de voormalige schoolvrienden Rivera en Cortijo samen hebben opgenomen. '¡Qué clase de salsa!', roept el Buho Loco, mijn favoriete deejay van Zeta 93. Inderdaad, het orkest van Rafael Cortijo vormde de basis van El (Gran) Combo (de Puerto Rico). Zij hebben het zowat uitgevonden, de bezetting met altsax, trompet en trombone vanuit de bomba en plena traditie. Zanger van het eerste uur Sammy Ayala staat op het podium, samen met Che Delgado en Ismaelito Rivera, de zoon van 'el Sonero Mayor' inderdaad. Dus deze postume homage is een eerbetoon aan de Puertoricaanse salsa van het eerste uur (jaren '50).


'Arme jongen, je lijkt wel een indiaan', roep ik lachend naar mijn collega journalist tegenover me aan de tafel in de Perstent. Hij gloeit helemaal. 'Ja, ik sta hier al vanaf 12 uur en dan met die zon!'. 'Maar het staat je goed, geen zorgen', glimlach ik. Buiten kom ik alleen maar collega's en bekenden tegen. Mijn vriend en collega trombonist José Raimundi met wie ik samen bij Eddie Santiago speelde in 1994. Hij moet erg lachen om mijn psychologische analyses van onze collega trombonisten. Staan wij over heel de wereld bekend als een zachtaardig, bourgondisch ras, het lijkt wel of de economische crisis die hier in de VS duidelijk voelbaar is, de gemiddelde musicus in Puerto Rico tot waanzin heeft gedreven... Althans die paar die sowieso psychiatrische hulp nodig hadden. 'Weet je wat Elliut tegen me zei? Dat ie geen mobiele telefoon heeft?', zeg ik verontwaardigd tegen José (in het kader van el bochinche). Hij komt niet meer bij. Ik bewonder Elliut om zijn trombonesolos, maar er zit me toch een agressie in.

Even later is het podium voor Roberto Roena y su Apollo Sound. Natuurlijk 'Tú, loco loco, pero yo tranquilo'. Kan het nummer niet uitstaan, want bij mij is het meestal andersom. Ik ben de gek en die ander is oh zo rustig. Ook Roena komt uit El Gran Combo, voordat hij deel uit zou maken van Fania All Stars. De man is te kaal en te schor voor zijn achtenzestigste jaar. Je kunt ook zo stellen dat hij geleefd heeft. Dat had hij in 1994 ook al toen hij me aan zijn moeder voorstelde. Dat doen ze hier ook allemaal. Ze zouden nergens zijn zonder hun moeder. Ik geniet van Endel Dueño's timbales solo, zoals altijd. Deze band is bij elkaar gebeld, want ik heb met ze gespeeld in andere bands. En het zijn voor het grote deel jonge gasten (zie zelfs een enkele student van mij en mijn opvolger aan het Conservatorium op trombone, die een mooie solo speelt).

Achter het podium begroet ik mijn collega Jorge Díaz met wie ik samen met Elías Lopés speelde. Die is er ook en groet me glimlachend. Gek hé, dat ik dan die bewaker niet kan overtuigen dat ik de trombonist van zijn band ben en zo die trap op mag. 'Alleen voor musici'. 'Man, wat dacht je dat ik al dertig jaar studeer, tú loco loco!' Maar niks, yo tranquilo. Mij word vlak medegedeeld dat vóór het podium de ruimte is voor de pers. Dat die allemaal omver worden geblazen door het geluid. Ik ben de enige met oorfilters in mijn oren. Pianist en mijn collega aan het Conservatorium Luís Marín zwaait naar me. Ik heb twee weken geleden met hem mijn Bolero Jazz programma gedaan. Luís is van het kaliber musici wat in trance raakt als ze spelen. Waanzinnig! Charlie Sierra op timbales, en Edwin Morales van Orquesta Mulence afwisselend, op bas Rolando (de bassist van Elías. Wauw), arrangeur Luís Garcia heeft voor vier trombones en vier trompetten geschreven. En het is mijn generatie uit 1994 die daar op het podium staat. Geweldig. Ik ken die jongens vijftien jaar!

En als de zon dan eindelijk ondergaat, begint het concert waar ik voor kwam. Ik zie dan ook eindelijk wie die vrouw is, wiens stem ik al weken op de radio hoor. En ik maar steeds denken dat het 'la Diosa de la Trova' Victoria Sanabria was. Vond dat al gek, want zij is de diva van de música jíbara (uit de bergen). Nee, deze zangeres komt uit Cuba, want 'we zijn twee vleugels van dezelfde vogel' Aymeé. Nog jong, netjes pregones ingestudeerd, maar ik word er niet warm van, ondanks de tropische hitte... Terwijl ik aan Yma América denk, van the Cubop City Big Band in Nederland, bedenk ik dat het in deze wereld toch zo is dat je op het juiste moment op de juiste plek moet zijn.

Manager Richie Viera, zoon van de beroemde platenzaak in Santurce 'Viera Discos' en al jaren manager van o.a. Bobby Cruz & Richie Rey groet me: 'Hola, May.' Hij loopt de bewuste trap op om arrangeur Luís Garcia een gedenkplaat te overhandigen, samen met de deejays van Zeta, El Cacique, El Buho Loco, El Vaquero, el de baas zelf Pedro Arroyo. Terecht! Alle lof voor deze bescheiden briljante arrangeur. Luís is zichtbaar ontroerd door deze internationale erkenning. Hij is al jaren de vaste muzikaal leider van Cheo Feliciano, heeft twee duizend arrangementen geschreven voor alle vooraanstaande salsa-artiesten. En toen ik hem twee maanden geleden belde, was hij in Panamá. Prachtig wat hij schrijft, geweldig! Naast hem staat zijn moeder. Ze hebben ook allemaal van die jonge moeders hier! Hij bedankt Tommy Olivencia, Roberto Roena die aan het begin van zijn imposante carrière stonden. En dan pakt hij zijn tres en speelt de intro voor 'El niño bonito'.

Was Ismael Miranda die ochtend nog in Venezuela; om zeven uur is hij in Hato Rey in het stadion. Hij krijgt meteen het publiek mee met 'Galera Tres' en 'Para Ismael Rivera'. Om half acht is het de beurt aan mijn held Cheo Feliciano, die heel veel muziek van Tite Alonso Curet heeft opgenomen. 'Guanguancó Puerto Rico' brengt zelfs mijn collegas van de pers voor de bühne in beweging. Dit wil ik voelen, dus begeef ik me terug het volk in. Iedereen danst de rumba en na tien minuten plof ik neer op een van de stoelen aan de andere kant van het veld. Dit had ik eerder moeten doen. Het geluid is hier veel beter! En dit is ook even goed voor mijn lijf en oren. 'Tite was niet alleen een dichter, maar ook een groot romanticus', zegt Cheo. 'Hij opende zijn hart, net zoals vanavond. Mi triste problema.' Alle gaten in mijn hoofd vullen zich. Mijn neusgaten vullen zich met de geur van gemarineerde biefstuk in een beetje knoflook en koriander op de barbeque. En via mij oren vult mijn hart zich met bolero. Ik vind Cheo een meester in deze stijl. 'Niemand weet van mijn pijn.' Tite Alonso Curet schreef het verhaal van onze bevolking. De armoede was zijn grote inspiratie'. 'El entierro de mi gente pobre'.

Als arme mensen huilen op een begrafenis, dan voelt men dat ook echt. Ik denk aan de caserío waar ik elke dag verschillende malen langs rijd naar huis, de klanten van mijn supermarkt. Hun uitzichtloos bestaan, maar ze leven van dag tot dag. Ze omhelsen me als ik trombone meespeel op hun rumba hier om de hoek op het strand. 'Qué vivan las mujeres'.  Naast me zit een vrouw met een Puertoricaanse vlag als hoofddoek. Een tienermoeder komt met een grote kinderwagen met een tweeling erin de trap opgestrompeld, wat nauwelijks lukt. Dat duurt tien seconden en dan staat er een jongen op die haar kinderwagen neemt en naar boven brengt. Un caballero de verdad. 'Anacaona' schalt het door de PA. Luís Marín speelt zoals gewoonlijk de sterren van de hemel in zijn pianosolo. De man voor me in het wit staat uitgebreid te gebaren in de lucht. Hij imiteert Charlie Sierra, de timbalero. Dit is Puerto Rico ten voeten uit. Hoeveel mensen hier muziek spelen! Er is hier zoveel talent. 'Yo soy boricua', roept Cheo. 'Para tú lo sepas', scandeert het hele publiek: 'opdat je het weet!'.

Dan kondigt el Cacique de volgende verrassing aan. Iemand die zich tijdens de laatste jaren van Tite Curet Alonso over hem bekommerde. Die ondanks zijn absurd drukke agenda onmiddelijk plaats maakte, toen hij hoorde dat de Día Nacional de la Salsa dit jaar gewijd zou zijn aan twee grote idolen van hem: Rafael Cortijo en Tite Curet Alonso. En terwijl de zon, de emoties en al die indrukken hun tol beginnen te eisen, niet alleen bij mij, veroorzaakt het uitspreken van zijn naam een adrinalinestoot door heel mijn lijf, laat staan door het hele stadion, wat in luid gejuich uitbarst. '¡Damas y caballeros, Rubén Blades!' Ja, natuurlijk! Deze man schrijft ook net zo conventioneel. Ik moet naar voren! Vlieg overeind en wring mij weer een weg tussen de juichende massa. 'Vale más que un guanguancó'. 'Tito Alonso Curet was heel geliefd ook in Panamá', zegt  Blades. Als ik bij het podium ben aangekomen, zetten ze het het tweede nummer in. Waaaaaahh: Plantación Adentro, wat hij opgenomen heeft met Willie Colón 1976. Ik voel een gloed van trots als ik de vier trombones hoor van mijn vrienden, sabrosoooooo. Goed zo, Rafy mijn maatje die met alle salsa iconen heeft gespeeld en die zei dat wij musici een bijzonder ras zijn. Elliut, ook al ben jij een groot machootje met je minderwaardigheidscomplex omdat je zo klein bent en meen je dat altijd op mij te moeten botvieren. José en Jorge, les quiero muuuuuuucho. Tudut-tuttut-tuttut-tuduuuu, zingen we allemaal mee.

Dertigduizend kelen uit heel Zuid Amerika juichen! En Cacique belooft dat hij terug zal komen aan het slot. De allerlaatste gast mag natuurlijk niet ontbreken; Andy Montañez, 'el Niño de Trastalleres'. Hij heeft zevenendertig albums met el Gran Combo opgenomen van 1962 tot 1977. Ben verbaasd dat de man er altijd zo verzorgd uitziet, waar ik hem ook tegenkom. Maar hij past goed op zichzelf in tegenstelling tot Roberto Roena. Ik wandel content terug naar mijn auto. De melodie nog neuriënd en mijn hart nog vol! Al deze legendarische musici, mijn collegas, mijn vrienden, en dan al dat publiek met hun campanas, hun Puertoricaanse vlaggen, hun guiros, de prachtige arrangementen van Luís Garcia, de goede geluidskwaliteit, zelfs die knallende zon... daar kan een salsero wel weer een poos mee vooruit!

May Peters
Fotografie May Peters

Noot van de redactie
Wil je er in maart 2010 ook bij zijn, neem dan contact op met
coquipromotions@gmail.com of www.maypeters.com 
Zij regelen de huisvestiging vlak aan de Atlantische Oceaan, no te preocupes...






Zoeken